achtergrond

Geenstijl

Interview Bavo Dhooge, auteur (100+ boeken)

Tevens StamCafé

door Arthur van Amerongen

Bavo Dhooge Jr. (Gent, 1973) studeerde af als filmregisseur aan de KASK en schreef sinds zijn debuut in 2001 meer dan 100 boeken. Hij is misdaadschrijver, maar ook auteur van autobiografische en literaire romans, en van jeugd- en kinderboeken. Winnaar van onder andere de Ambrozijn Verhalenwedstrijd, kortverhalenwedstrijd Stad Deinze, kortverhalenwedstrijd De Jonge Hond, Eindhoven, kortverhalenwedstrijd Literatuurlijk RUG. Als misdaadschrijver: winnaar van de Schaduwprijs, de Hercule Poirotprijs (+ drie nominaties) en de Diamanten Kogel (+ drie nominaties), tweemaal genomineerd voor de Gouden Strop. Twee jaar op rij 5 ***** VN Thrillergids. Zijn thriller 'Stand-In' werd in Nederland uitgeroepen tot 3de All Time International Thriller. Zijn werk verscheen in het beroemde Ellery Queen Mystery Magazine. De Amerikaanse uitgeverij Simon & Schuster gaf 'Styx' uit, de fantasythriller die in 2023 door Eyeworks wordt verfilmd en in het voorjaar 2024 op Streamz en VTM te zien is. Daarnaast zijn de filmrechten van 'Stalen Kaken' (biografie van John Massis) verkocht. De eerste drie L.A.-thrillers ('Stiletto Libretto', 'Santa Monica' en 'Sioux Blues') verschijnen vanaf 2023 bij de Engelse uitgeverij Next Chapter. In het najaar van 2023 startte hij met een nieuwe thrillerreeks bij uitgeverij Horizon over de Gentse bodyguard Chris Coene waarvan het 1ste deel ('De samoerai') meteen werd genomineerd voor de Hercule Poirotprijs.

Dhooge: “De serie Styx loopt nu op Streamz, een Vlaamse streaming site. Na de zomer komt hij op VTM en daarna op Netflix. De achtdelige reeks is gebaseerd op mijn boek Styx uit 2014: een lekker gore fantasy-horror-thriller-reeks over een politieagent in Oostende, een corrupte, agressieve klootzak die overal problemen heeft: met zijn familie, met zijn vrouw en met zijn kinderen. Hij zit aan de drugs en aan de drank, laat zich omkopen. En hij maakt jacht op een seriemoordenaar. De man wordt neergeschoten en sterft, maar de volgende dag spoelt hij terug aan op een strand als een soort ondode, die die zaak met die seriemoordenaar wil oplossen. En dan blijkt dat hij een tweede kans krijgt en zijn leven kan beteren. Dat vereist uiteraard wat opofferingen. En het is dus een verhaal over loutering en verlossing. Don’t worry: ik hou niet van happy endings, ook al is het Pasen.

Van Amerongen: Je bent bepaald geen politiek correcte schrijver. Werd de verfilming van je boek aangepast aan de wokiaanse eisen van deze tijd?

Dhooge: “Ik heb het scenario niet geschreven, maar vind dat de scenarist van de serie goed werk heeft geleverd. Ik schrijf mijn boeken eigenlijk altijd in eerste plaats voor mijzelf. Ik hou nooit rekening met de mening van de massa, en ook niet met woke. Ik ben sowieso helemaal niet politiek en ik haat labels. We leven nu in een soort Victoriaans tijdperk waar alles zeer strikt is. Maar een boek of een film moet niet opvoeden. Ik wil geen moraal.

We zitten met het probleem dat wij in België maar 6 miljoen potentiële lezers hebben. Ik geef veel lezingen en ik mag blij zijn met twintig, vijfentwintig man publiek. Ik ben geen Tom Lanoye of Brusselmans, publiekskanonnen die al veertig jaar in alle televisieshows verschijnen. Die kunnen wel misschien nog honderd man trekken. Ik heb nu net de biografie van Hugo Claus uitgelezen. Dat was een rockster, zat achterop de motorfiets met Sylvia Kristel. Maar de meeste schrijvers zitten zo niet in elkaar natuurlijk. Een nieuwe Claus zie ik niet meer komen. Veel uitgeverijen hebben een sensitivity reader. Al die mensjes zouden een nieuwe Claus tegenhouden.

De cancelcultuur is verschrikkelijk. Philip Roth is een van mijn lievelingsschrijvers. Ook hij moet nu gecanceld worden. En Louis Paul Boon uiteraard ook. Roth nam alles en iedereen in de maling. Schrijvers moeten tegenwoordig bloedserieus zijn. We zijn terug bij de index librorum prohibitorum, de pauselijke lijst van verboden boeken… Katholieken mochten ze niet lezen omdat de kerk ze als verwerpelijk beschouwde. Zo kwam in de vorige eeuw ook de Franse filosoof Jean-Paul Sartre op de lijst terecht. Ik zat op een katholieke college. Daar werd mij een schuldcomplex aangepraat. Nu moet ik mij schuldig voelen over de slavernij, waar ik niks mee te maken had. Het zijn kafkaiaanse vraagstukken. Natuurlijk pleegde koning Leopold de Tweede hondervijftig, honderdzestig jaar geleden wandaden in de Congo. Zijn beelden zijn overal weggehaald, al staat er nog een hele indrukwekkende in Oostende. Het is dom om al die standbeelden weg te halen. Jonge kinderen hebben geen idee meer wie Leopold was, daarmee schiet je jezelf in de voet.

Belgie is behoorlijk truttig en benauwend geworden. Vroeger had je TC Matic, filmers als Marc Didden en Dominique Deruddere, acteurs als Jan Decleir. De Morgen en HUMO (met Guy Mortier als hoofdredacteur) waren nog dynamisch en vooruitstrevend. Ik ben ouder geworden, maar er is wel degelijk iets veranderd in Vlaanderen. Allee, ik ben geen boomer, meer generatie X.

1985, de serie over de Bende van Nijvel, vond ik zeer goed. Ik kreeg daar een melancholisch gevoel bij. Wat eigenlijk ook heel raar is, want het was toen ook een heel onveilige tijd.  Politiek was het zeer onrustig. Maar ik vond het mooi om weer naar de muziek uit die tijd te luisteren. Mijn oude België van de jaren tachtig verdwijnt. Ach, België had eigenlijk niet moeten bestaan. Het is verkeerd geboren, met een zware handicap. In Wallonie vind je soms meer authenticiteit dan in Vlaanderen. In Vlaanderen doet men heel stiefmoederlijk over Wallonie. Ik vind Wallonie minder kneuterig dan Vlaanderen. Dat aangeharkte van de Belgische kust vind je niet in Wallonie. Dat lekker rommelige zie je ook bij filmmakers als Jean-Pierre & Luc Dardenne en Benoît Poelvoorde. Vandaar dat ik de biografie van Hugo Claus ook zo mooi vind. Daarin lees je dat de identiteit van Vlaanderen nog steeds niet gevonden is. Brussel is een cosmopolische stad. Filmers als Didden en Deruddere zijn Brusselaars. Vlaanderen is vooral Gent en Antwerpen, en heel veel platteland, met zijn duizend holletjes van Pluto. "In het hol van Pluto" is een typisch Vlaamse uitdrukking waarmee men op een kleurrijke manier een afgelegen plek omschrijft. Etymologisch vindt deze uitdrukking haar oorsprong bij de toegang tot de onderwereld waar Pluto heerste. Anderzijds doen de suburbs van Gent mij erg denken aan de verhalen van John Cheever. De tijd staat er stil, er gebeurt niets.

Bij de Nederlandse uitgeverij Ezo Wolf verscheen zojuist Sick.

In SICK schrijft Bavo Dhooge (of iemand die voor hem wil doorgaan) zijn huisarts brieven omdat zij hem niet meer wenst te behandelen wegens te veel ingebeelde ziekten. Aan zijn lot overgelaten wil de hypochonder weer in de belangstelling komen en vertelt het ene krankzinnige voorval na het andere. Hij biecht zelfs op dat hij zieke mensen vermoordt om gezond te blijven. Zijn schreeuw om aandacht zorgt voor een onverwachte diagnose: de patiënt bleek niet schijnziek, maar echt ziek. Wanneer hij de oorsprong van zijn hypochondrie ontdekt door in zijn verleden te graven, komen het inzicht en de loutering, waarna de genezing wenkt.

We kijken even naar de trailer van ‘STYX’.

En hier geheel gratis voor de abonnees van GeenStijl een fragment uit ‘SICK’

Geachte dokter,

Ik neem aan dat u wel weet wie ik ben. Ik ben de patiënt die tot voor kort elke dag bij u langskwam om met uw hulp telkens weer de strijd aan te gaan met allerlei virussen, bacteriën en microben die mijn leven verzieken. Maar omdat ik begin te beseffen dat u mij en mijn ziekten niet meer serieus neemt, ben ik maar op eigen houtje deze virussen, bacteriën en microben proactief gaan uitroeien. Beter voorkomen dan genezen, nietwaar? Ik kan maar proberen om die kankers op afstand te houden door al die andere zieke lichamen uit de wereld te helpen. Let wel: dit is geen moordbekentenis. Het was telkens niets meer of minder dan zelfverdediging. Ik denk dat een dokter zoals u wel begrijpt dat ik de dingen niet zomaar op hun beloop kon laten gaan. Ik heb een kritisch punt bereikt. Het was kiezen tussen aangestoken en gedood worden door al die onbekende ziekten of al die zieke lichamen uit voorzorg onder de grond stoppen om mezelf te redden.

Heb ik hulp nodig? U zult zeggen: ja, je hebt geen dokter nodig, maar een advocaat. Maar ik weet het niet, ik ben zeker niet paranoïde. Al die mensen waren echt ziek en waren dus een gevaar voor de gezondheid. Ze waren niet denkbeeldig, zoals u zo vaak hebt gezegd dat mijn ziekten dat wel waren. U zou dus kunnen zeggen dat ik niet alleen mezelf heb gered, maar ook de rest van de wereld een dienst heb bewezen door al die echte aandoeningen in de kiem te smoren. Sorry, ik val hier een beetje met de deur in huis, zoals ik even vaak en abrupt uw wachtkamer ben binnengevallen.

U schrikt zeker een beetje van deze brief. Het is eens iets anders om een bericht van een patiënt te ontvangen en niet zelf een ziektebriefje of voorschrift uit te schrijven. Zo maakt u eens kennis met mijn handschrift dat toch aanzienlijk minder slordig is dan het uwe, als ik dat mag zeggen. Ik zal maar meteen uitleggen waarom ik heb besloten u te schrijven. Ik begin te beseffen dat het uw wens is om me niet langer in uw praktijk te ontvangen. Dat is althans de indruk die ik heb gekregen en de hoofdreden waarom ik in mijn pen ben gekropen. Ik durf er niet aan te denken dat het werkelijk uw voornemen is om me niet langer te zien als een lastige patiënt, maar als een patiënt die u lastigvalt. Deze misvatting heeft vanzelfsprekend geen bestaansreden. U blijft een dokter, een geneeskundige en een vrouw van de wetenschap. Het is uw plicht om mensen – zelfs deze mens of wat ervan overblijft, – te helpen. Ik zou nog kunnen begrijpen dat u me, na alles wat we de voorbije jaren hebben meegemaakt, zou doorverwijzen naar een collega. Het was niet niks, dat geef ik grif toe. Ja, eentje als ik kom je maar één keer in je leven en in je medische carrière tegen. Maar ik lieg toch niet als ik zeg dat wij de afgelopen tien jaar een nauwe band hebben gesmeed die de relatie dokter-patiënt ver overstijgt. Ik zou kunnen spreken van een soort verwantschap en waarom niet: vriendschap.

Waarom bent u me dan van de ene dag op de andere als een regelrechte gek gaan beschouwen? Schrik niet, dokter, maar regelrechte gekken gaan niet zomaar zieke mensen vermoorden om zelf gezond te blijven, weet u. Zo verstandig en vooruitziend zijn gekken niet. Of zet ik met deze bekentenis definitief onze vriendschap op het spel? Ach, ik loop wat vooruit op de dingen.

We weten allebei dat ik een hypochonder van het zuiverste soort ben, een hyperhypochonder zoals u me ooit eens hebt genoemd. Maar ik hoop dat u me de voorbije jaren ook hebt leren kennen als een mens in plaats van als een zoveelste patiënt, een naam, een nummer of een virtuele vriend. Daarom heb ik besloten om over te gaan tot deze schriftelijke vorm van communicatie. Als u me inderdaad uit uw praktijk wilt bannen, dan trekt deze banneling wel de rest van de wereld in zijn bubbel binnen. Desnoods met geweld.

Ik weet niet of u het al hebt vernomen, maar ik ben op een ochtend zoals gewoonlijk naar uw praktijk getrokken met niets anders dan nobele bedoelingen en een handvol ongemakjes. U weet dat ik recent ben verhuisd en nu nog dichterbij woon, wat de gang van zaken des te makkelijker maakt. Zo dacht ik toch. Soms begeef ik me te voet naar uw praktijk, soms neem ik de fiets. U moet daar niets achter zoeken. Ik ben niet omwille van uw praktijk verhuisd. De reden was zoals steeds medisch. Ik was er na tien jaar achter gekomen dat de lucht in mijn appartement niet al te zuiver was en dat het fijn stof rechtstreeks van de stadsring door mijn haard naar binnen kwam gewaaid zoals roet op het gezicht van de Piet. U herinnert zich zeker nog de sinusitis die twee jaar geleden aan het licht is gekomen. Welnu, dit euvel was niet – en ik herhaal niet –te wijten aan huisstofmijt of een of andere allergie, want ook mijn overbuur en bovenbuur hebben sinds kort last van deze vreselijke vorm van hooikoorts.

Kunt u zich mijn verbazing voorstellen toen ik die ochtend routineus het gebouw waar uw praktijk gevestigd is, binnenwandelde om me voor de honderdste keer te laten onderzoeken en van uw secretaresse te horen kreeg dat u er niet was.

‘Het spijt me,’ zei deze dame beleefd zonder mijn naam te vragen, alsof we nu eenmaal familie waren. ‘De dokter is er niet vandaag.’

Ze gaf geen specifieke reden voor uw afwezigheid, wat me nog nieuwsgieriger maakte. Ze zei niet dat u op vakantie was en er hing ook geen bericht in de wachtzaal dat uw afwezigheid op een andere manier kon verklaren of verantwoorden. Ze zei ook niet dat de consultatiemomenten waren veranderd. Anders had ze er niet gezeten, nietwaar? En ze zei evenmin dat u verhinderd was. Neen, ik moest het stellen met de simpele, onpersoonlijke boodschap dat u er niet was. U. Was. Er. Niet.

U bent, denk ik, zowat de enige huisdokter die ik ken die een secretaresse heeft. En ik ken er veel, wees daar maar zeker van; ik kan zo een dozijn collega’s van u uit het hoofd opdreunen zoals ik ook een dozijn terminale ziekten kan opdreunen. Hebt u daarom een secretaresse in dienst genomen? Om onpersoonlijk te worden? Als dat het geval is, moet ik misschien maar een huurmoordenaar in dienst nemen. Ik maak natuurlijk maar een grapje. Ik dacht dat een secretaresse alleen in groepspraktijken werd ingeschakeld. Hebt u misschien enkele collega’s gevraagd om u bij te staan bij al mijn medische kwesties? Straks ga ik nog denken dat die secretaresse niets meer is dan een buitenwipper. Want wat bleek?

Er zaten wel vijf andere patiënten in uw wachtzaal. Hoe kan dat nu? Dat vraagt een gezond mens als ik zich af. Als u op vakantie was, hadden ook die andere patiënten dat toch moeten weten? Ik vroeg nog aan uw ‘secretaresse’ of u vandaag soms door een collega werd vervangen. Maar ook dat was niet het geval. Tja, wat was het nu? Was u er nu wel of was u er nu niet? En wat deden die anderen dan in uw wachtzaal?

Toen schoot het me te binnen. Het kon dat u zelf ziek was geworden, misschien zelfs in laatste instantie, vlak nadat de consultaties waren begonnen. U was misschien besmet door uw eerste patiënt van de dag. Let wel: de eerste, niet de belangrijkste. Dat zou een hoop verklaren. U komt in contact met veel mensen en veel zieke mensen met miljoenen microben. Het zou logisch zijn dat ook u daardoor soms het bed moet houden. Nog logischer zou zijn mocht u net mij, de opperhypochonder, willen behoeden voor besmetting.

Een moment lang bleef ik in de gang staan en was zelfs even ontroerd omdat ik als eerste was ingelicht dat u ziek was en alle consultaties waren afgelast. Dat was perfect aannemelijk. En dus voelde ik me al wat kalmeren. Ik beschouw u als zoveel meer dan zomaar mijn huisarts. En ik neem aan dat ik ook voor u zoveel meer ben dan een vaste patiënt.

Maar er kwam geen schot in de zaak, laat staan dat een ontknoping van dit mysterie zich aandiende. Uw secretaresse kwam niet van haar stoel en stapte niet naar de wachtkamer om de andere patiënten in te lichten dat u ziek was en dat ze een andere afspraak moesten maken of een andere dokter moesten zoeken. Neen, ze bleven allemaal netjes zitten, als gestrafte schoolkinderen in een studiezaal, in de gaten gehouden door de strenge juf en rustig luisterend naar uw gezellige achtergrondmuziek (Debussy als ik me niet vergis). Ik ben tussen haakjes zowat de enige op deze planeet die weet waar die luidsprekertjes van u ergens zitten verborgen. Uw wachtkamer heeft geen geheimen meer voor mij. En ik zweer het: zelfs die luidsprekertjes leken zich die dag nog meer te verstoppen dan kankercellen in een pancreas.

Toen kreeg ik argwaan. Voor het eerst kwam de gedachte in mij op dat ik de enige was die te horen had gekregen dat u niet beschikbaar was. Zou dat kunnen betekenen dat u alleen maar voor mij niet beschikbaar was? Kortom, ik werd overvallen door een aanval van paranoia, een van de vele kwalen die u in al die jaren niet bij mij hebt vastgesteld. Maar als het geen paranoia was en niets minder dan de waarheid, betekende dat dat ik… als enige patiënt vandaag uit uw praktijk werd geweerd.

Kan dat?

Ik besloot het uit te testen en wilde plaatsnemen in uw wachtkamer. Maar alle stoeltjes waren al bezet, ook mijn vaste plek. En dus zat er niets anders op dan naast de laatste stoel op dat prachtige Perzische tapijt van u plaats te nemen, vlakbij de salontafel met de auto- en lifestylemagazines en de doos met houten speelgoedblokken. Ik wilde het lot uitdagen en nam er de tijd voor. Zoals gebruikelijk werd er in de wachtkamer niet gesproken, gelachen of gehuild. Er werd amper geademd. De aanwezigen leken etalagepoppen. Met dat verschil dat ze aan hun smartphone waren gekoppeld als patiënten aan een baxter. Met een peuter of kleuter erbij zou er nog wat leven in de brouwerij zijn geweest. Maar die ochtend was het armoe troef. Dat maakte de zaak nog vreemder. Even vroeg ik me af of dit wel vijf patiënten waren of eerder vijf figuranten, vijf mensen uit uw kennissenkring of vijf personen die u lukraak van de straat had geplukt om tegen betaling een uurtje in uw wachtzaal plaats te nemen en te doen alsof zij uw patiënten waren, gewoon om mij, uw trouwste patiënt van allemaal, uw patient zero, buiten te houden. Maar zo ver zou u niet gaan, toch? Zou u zo ver gaan en het risico nemen dat ik daardoor nog een heel stuk verder zou moeten gaan? Neen, dat zou mijn huisdokter, mijn toeverlaat, mijn orakel niet kunnen maken, hield ik mezelf voor. Een secretaresse was al erg genoeg.

Ik ging ze een voor een af: een oudere man met een ooglapje, een zwangere vrouw, een koppel van middelbare leeftijd waarvan de vrouw een afschuwelijke huidziekte had en de man gelukkig halfblind was, en tenslotte nog een jong, aantrekkelijk meisje dat niet anders dan psychologische problemen kon hebben, want uiterlijk was er niets aan haar te merken. Ik hield me in afwachting bezig met uw wachtkamer voor de honderdste keer in mijn hoofd her in te richten.

U hebt een lange weg afgelegd wat uw wachtkamer betreft, dokter. Proficiat. U komt van ver. Je zou kunnen zeggen dat uw wachtkamer na een zware behandeling aan een tweede leven is begonnen. In het begin – is het werkelijk al tien jaar geleden dat wij elkaar op onze first date hebben ontmoet toen ik me niet met een bos rozen maar met een bokaal schaamhaar aan u voorstelde? – leek uw wachtzaal meer op de vergaderzaal van een lokale cultuurvereniging. U had geïnvesteerd in een marmeren vloer, jawel, en u had de authentieke elementen zoals de haard, de glasramen en de houten deur uit Toscane in ere gehouden. Maar die prefab, plastic stoeltjes, dokter… Mijn God, als ik er nog maar aan terugdenk, verlies ik alle gevoel in mijn gezicht. Gelukkig hebt u met de jaren naar me geluisterd en staan er nu toch enkele designstukken en zelfs een varen, kijk eens aan. Ik ben nog steeds niet te spreken over de glazen salontafel. Daar heeft al menig kleuter zijn hoofd tegen gestoten – en niet alleen een kleuter kan ik u vertellen. Het scheelde niet veel of ik had zelf ook een venijnige snede opgelopen. Dat is natuurlijk geen goede reclame: een praktijk waar je nog meer gehavend buitenkomt dan dat je er bent binnengegaan. Na al die bezoekjes weet ik nu ongeveer wel uit hoeveel knopen het patroon van uw Perzisch tapijt bestaat. En ik heb ook meer dan eens de krassen in het marmer geteld. En die zijn er wel degelijk. Zelfs marmer is vergankelijk. U speelt nog steeds hetzelfde bandje af met Franse impressionistische pianomuziek dat ik u heb aangeraden: Satie, Ravel en die duivelse Debussy. Ik dreig het wat beu te worden, maar ik neem aan dat u wel uw redenen hebt om het te blijven afspelen. Een herkenbare setting zorgt nu eenmaal voor een gevoel van vertrouwelijkheid en geborgenheid. Ik zou bijna durven zeggen: huiselijkheid. Het is ook geen toeval dat ik vaak na een consultatie nog even een half uurtje in uw wachtkamer ga zitten, gewoon om de sfeer wat op te snuiven.

Maar goed, om terug te komen op de reden waarom ik u deze brief schrijf. Kunt u zich mijn verbazing voorstellen toen de deur van uw consultatiekamer dan toch openging en het jonge mentale wrakje opstond en binnenging? Het was jammer – wat zeg ik, een drama en een klucht in één – dat ik niet kon zien wie de deur had geopend. Het was niet uw secretaresse en ik weet pertinent zeker dat u geen assistent hebt. De deur ging weer dicht en het volgende kwartier hoorde ik stemmen in uw consultatieruimte waarvan er eentje toch wel akelig erg op de uwe leek.

Was het mijn verbeelding? Dat was niet zo vergezocht. Al met al kwam ik die ochtend bij u aankloppen met een strever van een symptoom: mogelijke hallucinaties als gevolg van een hormonaal onevenwicht en/of gebrekkige werking van de schildklier (te snel of te traag, dat moet u maar eens uitzoeken). Over die hallucinaties zal ik het een andere keer hebben. Ze waren niet bepaald zachtaardig en ongevaarlijk.

Het was natuurlijk niet de eerste keer dat ik stemmen hoorde. Maar deze keer zaten ze niet in mijn hoofd en waren ze niet op papier geland. Ze kwamen uit uw praktijkruimte, ik zwéér het. Ik bleef als een kleuter zitten op uw Perzisch tapijt – waarin ik soms een gigantische spin zie. Maar hoe meer ik uw stem dacht te horen en hoe meer uw secretaresse mijn kant opkeek, hoe vervelender ik de situatie begon te vinden. Ik ging in kleermakerszit zitten en dacht er even aan enkele blokken uit de speelgoeddoos te nemen, gewoon om mijn gedachten wat te verzetten. Het was toch onmogelijk dat u tegen me had… gelogen? Na alles wat wij samen hebben meegemaakt? Na al onze avonturen! En na alles wat ik u heb… opgebracht? Ik vermoed dat uw secretaresse alleen al door mijn consultaties wordt betaald.

Toen de jongedame weer buitenkwam en het oud echtpaar opstond, wilde ik ingrijpen en ze beleefd de pas afsnijden. Mijn tussenkomst zou maar even duren, lang genoeg om te checken wie zich daar achter die deur bevond. Maar uiteindelijk liet ik het zo. Het is beter om zich het onvoorstelbare niet voor te stellen, laat staan mee te maken. Daar zit zeker een waarheid in, of het nu hypochondrie of de Holocaust betreft. Zo maak je ook komaf met ingebeelde ziekten, zoals u me ooit aanraadde. Ik durfde het wel, wees daar maar zeker van. Maar ik wilde mezelf de hoop niet ontnemen dat ik het bij het verkeerde eind had. Kortom, ik gaf u nog wat respijt. Ik gaf u wat extra tijd om een deftig excuus te verzinnen.

Misschien wenste u vandaag geen vaste patiënten zoals ik te ontvangen, net omdat we zo vertrouwelijk met elkaar omgaan. U was misschien oprecht gegeneerd door – ik zeg maar wat - een slechte adem door te veel knoflook, een steenpuist of slecht nieuws zoals de ontdekking van een gezwel in de rug of een knobbeltje in de borst, iets wat u wel kon verbergen voor nobele onbekenden, maar niet voor zielsverwanten zoals ik.

Reaguursels

Dit wil je ook lezen

Hoera! Gerrit Komrij, de Godfather van GeenStijl, wordt 80!

Gerrit zou op zaterdag 30 maart 80 zijn geworden en dat moest groots gevierd worden, zo dachten zijn biograaf Arie Pos - vriend van de show - uitgeverij Ezo Wolf en mijn persoontje.

(Tevens StamCafé)

@Arthur van Amerongen | 27-03-24 | 22:02 | 616 reacties

Tip de redactie

Wil je een document versturen? Stuur dan gewoon direct een mail naar redactie@geenstijl.nl
Hoef je ook geen robotcheck uit te voeren.